De Groene Amsterdammer

Historisch Archief 1877-1940

Alle jaargangen 1892 11 december pagina 6

11 december 1892 – pagina 6

Dit is een ingescande tekst.

DE AMSTERDAMMER, WEEKBLAD VOOR NEDERLAND. 807 Uit Dr. GrA.NNEF's Studeerkamer. (Het auteursrecht voor den inhoud van deze bladzijde wordt verzekerd volgens de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124). Dr. GANNEF. Poetel's Toorspelling. »Ik zeg je," herhaalde Poetel, »dat hij dol WOrdt. Ik zie het aan zijn heele uiterlijk. Hij is «l weder lang niet geweest zooals 't hoorde. En als een hond dol zal worden " «Onzin," riep juffrouw Poetel; »in dezen tijd van 't jaar hondsdolheid ? Dat krijgen ze alleen in de bondsdagen, in...." »Doet er niet toe. Hij heeft het toen niet gehad, en nu wil hij zijn schade inhalen. Kijk hem maar eens aan!" Juffrouw Poetel keek hem aan. Het was een armoedig er uitziende zwarte kardoes, en zoo voor den haard van de huiskamer op den grond liggend, met de tong uit den bek en rollende oogen, maakte hij werkelijk geen gunstigen indruk. Maar juffrouw Poetel zei, dat het niets was, en dat hij alteen kou had gevat op de borst. »Nou! mooi!" riep mijnheer Poetel wan hopig; «laat hem maar dol worden. Laat hem de Straat op gaan en de menschen bijten, dan kan ik er voor betalen; maar dat komt er niet op aan." Den heelen dag bromde hij over den hond. Hjj vertelde aan drie of vier personen hoe het beest deed, en allen waren het met hem eens, dat de hond dol zou worden, en dat zij blij waren dat zij Poetel niet waren, anders niet! Maar 't Nog een oogenblik, en er was een klik en een [ knal en een rookwolkje, en het weerbaarheidsmannetje had vuur gegeven en de hond rolde over den weg zoo dood als een hond maar zijn kan. Maar het geluid van het schot had het paardje van den slager verschrikt, zoodat het op hol ging, en niet tot staan te brengen was. Poetel hield zich stevig vast en keek om. Achter hem aan holde het weerbaarheidsmannetje om zijn twee rijksdaalders, en twintig jongens en kerels om te zien of hij ze kreeg. Juist toen was er weer een schreeuw," en Poetel zag een man vóór hem op den weg staan vloeken en de vuist tegen hem schudden. »Blijf staan, jou schurk!" riep de man; »je zult het me betalen!" Maar zij konden niet blijven staan. Poetel deed er ook geen moeite voor. De man was zeker door den hond al gebeten en vroeg schadevergoeding. Dat was juist wat hij verwacht en voorspeld had. »R\jd voort!'' gilde hij tot den slager. Toen zij in de buurt van Poetels huis kwamen, waren zij al de vervolgers een eind vóór, de sla ger hield nu zijn paard in, Poetel gaf hem zijn rijksdaalder, klom eraf, en sloop in huis. »Nu", zeide hij woest tot juffrouw Poetel, »ik hoop dat je me nu een volgende keer gelooven zult." «Waarom?" vroeg zij, nieuwsgierig. »Waarom?" bulderde Poetel. »Zou je niet weten waarom? Weet je niet dat die rampzalige hond dol geworden is, juist zooals ik je voor speld had, en naar buiten is geloopen en een kerel heeft gebeten, juist zooals ik had gezegd dat gebeuren zon? Nu? En ik heb menschen moeten betalen om hem dood te schieten, en ik heb hem op straat laten liggen. Groote grut " Poetel vloog achter een fauteuil en keek er over heen, met een uitdrukking van ongeloovigen schrik op zijn gelaat, Want terwijl bij sprak, ging de deur langzaam open, en zijn hond kwam bedaard de kamer inwandelen. »Wat scheelt je?" vroeg juffrouw Poetel, naar zijn onthutst gezicht kijkend. »Zeg nu niet, dat hij niet dol is", stamelt Poetel heesch. »Tien minuten geleden is hij morsdood geschoten, en nu, .... kijk eens ! Ik wil hem hier niet in de kamer hebben ! Jaag hem weg !" «Jawel ! ik heb hem zijn halsband afgedaan en heb hem eens flink gewasschen en " Haal hem weg! laat hij niet bij me komen ! Ik zeg je, dat hij doodgeschoten is ! jaag hem De militaire zijde der triple alliantie. Stilzwijgen over de lersclie qnaestie. Een lastig gebrek voor staatslieden die stemmen noodig hebbon. was al wel, en op den weg naar huis liep Poetel bij een apotheker in, zette hem zijn vreeselij ken toestand uiteen, en kocht eene dosis vergif. Juist toen hij zijn eigen straat naderde, werd hij opgeschrikt door luid geschreeuw, en het volgend oogenblik kwam een groote hond wild den hoek omrennen, gevolgd door een troep men schen. Het wasén zwartehond, een kardoes. Poetel, ondanks zijn slecht gezicht, herkende hem met n blik als zijn eigen hond. Het beest was dus dol geworden, juist zooals hij het voorspeld had. Het beest keek natuurlijk rond naar iemand om te bijten, en dan zou hij moeten betalen. De ge dachte alleen gaf hem vleugels, maar het hielp niet, met ieder oogenblik kwam de hond hem verder vooruit. Toen, gelukkig, een slagorskarretje hem in haalde een van die kleine bakjes op twee Ziende hoe verschrikt haar man was. nam juf frouw Poetel de hond bij een oor. leidde hem naar het tuintje en sloot hem buiten. Intusschen was er aan de voordeur gescheld, en opengedaan en Poetel hoorde er een boel rumoer. Poetel hield niet van rumoer aan de voordeur, en bij ging dan zelf naar voren om een standje te maken. Hij was er juist voor gestemd, en toen bij voor kwam, zag hij dat alles in orde was voor een goed standje, alleen scheen liet hem toen weer. alsof hij er geen lust in had. Vooraan stond de gebeten man. en vlak daar achter het. woerhaarhoidsmannc'tjo, on om hen heen een steeds aangroeiende irroep. I'oetel meende, dat het het beste was de koe bij drhorens te vatten. Ik he.n je twee, rijksdaalders srliulilis," zeidehijtot den kleinen schutter, on '.ii' hem het geld: zoo meende hij de militaire macht aan zijne groote wielen, alleen mot een zitplaats voor den j zijde te krijgen. Toen wondde hij zich tot d< voerman riep Poetel het aan, de slager hield zijn paard in. -Een dolle hond !'' hijgde Poetel, vooruit wijzend, -Laat me even bij je zitten hem inhalen een rijksdaalder!" Hij klom erop, ging op zijn knieën in het bakje achter den slager zitten, en klampte zich met beide handen aan het bankje vast om er niet afgeslingerd te worden, terwijl het karretje voortratelde. Zij haalden den hond in, naderden hem meer en meer, tot hij op eens een hoek om sloeg, schuin tegenover hen. Zij renden den hoek om, hem achterna, en sprongen bijna op van schrik, hij was omgekeerd! Hij kwam rechtop hen af. De slager verloor zijn tegenwoordigheid van geest, trok zijn paard aan, maakte rechtsom keert, en holde weg, de hond achter hen aan. Om den hoek overreden zij bijna een jong jagertje van de weerbaarheid, die met bet geweer op schouder wandelde, zoo trotseh alsof hij pas al de rozen door en door geschoten had. »Hei!" gilde Poetel in razernij; »een dolle hond! schiet! schiet hem dood! Twee rijksdaal ders als je hem doodschiet!" geheten man en vroeg: Waar heeft hij je geheten ?" -.Waar heeft wie me gebeten ?'" schroeuwd' de man verontwaardigd teni;>;. -- Mijn bond. natuurlijk'." Jouw hond? Mijn hond was In heb je dien soldaat betaald om mijn te schieten ?" 11 ij bedoelde liet woorhaarhoidsnïannotje boel grootsch was. en rondkeek als"f hij zoi er nog niet wat dood te schieten was. ->Wnt.?" riep I'oetel. Het was mijn -?'' -Mijn hond was hot! Mijn patroon kochr hem van morgen en zond mij om hem ie gaan halen. Hij wou niet mee. en ik heli hem aan dit touw moeten slopen", zei de man. een stuktouw met een balsband eraan voor den dag halend. ??Ik had hem bier een eindje voorbij, toen hij opeens zijn kop uit den balsband weet Ie wringen en naar huis terug rent. Ik achter hem aan. Ik zie je ook achter hom aan gaan. Ik zie je op bet slagorskarretje ; je haalt hem in; je laat hem doodschieten; ik zie je op den loop gaan . . .." OOSTKXHI.IKKH; Zie eens, Italiaansche broeder, hoe onze Duitsche vriend zich aftobt!" ITALIAAN: Corpo dl baeco! wij varen er het best bij." -Ik verzeker je:', viel Poetel hem met de vastberadenheid der wanhoop in de rede. dat de hond dien ik heb laten doodschieten van mij was." -Kn van wie is die hond dan ?" riep iemand. :>Wel voor den . . . ." riep do man met het touw, »wel, dat is mijn hond daar !" l >Dat zei ik je al. Mijn hond is doodgeschoten.'' i De man lette niet meer op Poetel. Hij kwam ? zachtjes achter den hond en pakte hem beet. De hond wilde weg. maar hij hield vast. en bet ; volk hielp hem. Hij kreeg hom den halsband om j en ging al worstelend en sleurend met hem weg, ; de straat op. ' Een uur later vroeg juffrouw I'oetel, waar de hond toch kon zijn; zij kon hem nergens vinden. >Dat heb ik je gezegd." zei Poetel triomfeerend, ; hij is dol geworden en ik heb hem laten doodschieten." Onzin; hij was nog hier, net nadat je thuis gekomen waart " -O zeker niet!" En je hebt hem zelf gezien." -- /eker niet! Ik zag zoo iets, een geest, een verschijning. .... iets. Dat verschrikte mij. Ik wist juist dat het de hond niet zijn kon, en ik kon maar niet begrijpen wat clan." En daar zij nooit meer iets van den hond te zien kregen, kon juffrouw Poetel er ook geen rekenschap van geven. Een reddende gedachte. liet stoomschip Iro/trlhick heeft schipbreuk geleden; golven, alleen Herr Kratzmeier, te redden en bereikte behouden 'l een Dnitsch contrabassist 'oulon. alle he( opvarenden werden ?ft zich op vindingrijk een prooi dei e wijze weten Het Panama-schandaal. Dn.uiAVK: (op <le tnl»nie); -I'ewijzen vraagt ge? Opgopas door do Panama-zaak is gecompromitteerd, deze portefeuille naa . . . Ik zal het lid, het hoofd gooien!'' dat bet mees! (Tableau).

De Groene Amsterdammer Historisch Archief 1877–1940

Ga naar groene.nl