De Groene Amsterdammer

Historisch Archief 1877-1940

Alle jaargangen 1895 24 februari pagina 10

24 februari 1895 – pagina 10

Dit is een ingescande tekst.

10 DE AMSTERDAMMER, WEEKBLAD VOOR NEDERLAND. No. 922 Yorst HoMolie's nieuwste YerwmMel. (GlüMichter.) Op weg naar de »Umsturz"wet. flllllllllflMIIHIIflIfflflIllllllfll lltllllllllllllllllllllllllll ?niiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiHiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii n Ook een kwestie. Wie is de baas over een geschreven stuk ? Hjj die het vervaardigde? Hij die het ontving? Die het kocht, of kreeg? Mag iedereen het publiceeren? Den tekst wijzigen 'i Deze groote vraag met haar aantal nevenvragen werpt Jules Simon op, zich herinnerende hoe hij driemaal ervan getuige was, dat de anarchie, die thans op het gebied der autografien heerscht, tot dwaze ver houdingen leidde. De eerste maal was hijzelf de aanleidende oorzaak. Om zich henen te werken door het overstelpend getal aanvragen om een autograne, waarvoor talenten van den tweeden rang en Jules Simon is nederig genoeg zich als zoodanig te beschouwen het hoofd hebben te buigen, daar de verzamelaars de eerste mannen niet aandurven, nam h\j gewoonlijk het eerste het beste gezegde dat hem voor den geest k wam, en zoo schreef hij o. a. eenmaal zijn naam onder de woorden van Lamartine: »Et toi, dont mon souffléest la vie", enz. Het album viel in de handen van een feuilletonnist, die, blijde iets pikants te hebben gevonden, aan z^jn lezers de poëzie van Jules Simon mede deelde, en er bij voegde: »De heer Simon zal wél doen, zich voortaan bij het proza te houden, Tfant zijn verzen zijn jammerlijk slecht." Lamartine, uit den mond van Jules Simon zelf dit verhaal hoorende, had over het plagiaat zijn wenkbrauwen zelfs niet opgetrokken. Maar de staatsman verzekert, zich niettemin sedert een »petit ballot de sentences prud' hemesques" te hebben aangeschaft. Het tweede geval is het volgende: Twee leden van n politieke party konden elkander niet goed zetten. Aan den een werd gevraagd, van den ander een karakteristiek te goven. Niet om te publiceeren, maar om dienst te doen voor een studie. Hy gaf ze, vry onpartijdig, maar maakte wat grappen op den ander. De ontvanger vond het briefje geestig, en bewaarde het. Hij liet het zien aan dezen en genen, en stond het ten slotte aan een handschriftenverzamelaar af. Deze was onhandig genoeg om zijn collectie te doen bewonderen door het slachtoffer der geestigheden, dat reeds lang met den schrijver er van goede vrienden was geworden. Wat echter thans niet belette, dat hij aan den ander zijn getuigen zond. Gelukkig, schrijft Jules Simon, had de zaak geen Icwaade gevolgen, dank zij het het verstand der beide partijen, maar n van beiden had maar Bimienlandsclie markten, of leer om leer, (Puck.) eens wat koppig moeten zijn, of een paar woorden in den bewusten brief nog wat scherper, en er had een ongeluk kunnen gebeuren. Een onge luk bij een duel tusschen Franschen! Maar den grootsten indruk heeft op den ouden rot in de politiek het volgend voorval gemaakt: Hy was lid van een commissie uit de Kamer, die advies had uit te brengen over een wetsontwer. De voor- en tegenstanders waren nage noeg even talrijk, en een der leden, die een hoog staatsambt bekleedde, hield een felle redevoering voor de aanneming van het ontwerp. Een tegen stander, als uitnemend relenaar bekend, stond na hem op, een papier in de hand houdend. De verwondering over zijn niet-improviseerfn beant woordde hij met de opmerking, dat hij in een ernstige zaak als deze ieder woord wilde hebben overwogen. En hij las een vrij langen, niet zeer weisprekenden, maar des te heftiger aanval op het ontwerp voor. Toen hij ging zitten, legde hij het handschrift op zijn knieën, en zeide: Dit is niet mijn werk, maar het werk van den geachten spreker, die zooeven ter verdediging van het ontwerp is opgetreden. En hij duidde de commissie aan, waar dat geachte lid vroeger dezen speech had gehouden. Is het wonder, dat een man die grijs is gewor den in het politieke leven, overtuigd is van het gevaar dat aan alle staatslieden zonder onder scheid boven het hoofd hangt, wanneer zij kunnen worden vervolgd zelfs met hun geschriften waar van zij de openbaarmaking niet in het minst hebben bedoeld ? Een brief aan de Venus van Milo. De Venus van Milo te Parys heeft per post een brief gekregen; de brief kwam uit Londen en was onvoldoende gefrankeerd. De conservator van den Louvre betaalde het strafport en was indiscreet genoeg om den brief te openen; de goede man was bang, dat er een declaratie in zou staan en dat men de aan zijne hoede vertrouwde godin op het slechte pad zou willen brengen. Daarenboven zijn Venus heeft geen armen: hoe zou ze dan een brief kunnen aannemen en openmaken. Maar de brief bevatte geen declaratie. Hij kwam van een klein Engelsch meisje en bevatte slechts het verzoek: »Please ?end me a port/olio!" En daarbij waren 25 knipseltjes van rosepapier, van welke elk de inscriptie droeg: Status of Venus de (!) Milo, m the Galteries of the Louvre. Paris. Bene raadselachtige historie. Gelukkig is het raadsel opgelost. Een Engelsch handelszaakje had namelijk aan zijn klanten, die vijf-en-twintig bons van inkoopen konden vertoonen, eene photographie van de Venus van Milo beloofd. De kleine Engelsche was in 't bezit gekomen van "25 zulke bons. Er stond op gedrukt stutue of enz.; dat zou wel het adres zijn. Een photograpbie van die Venus interesseerde haar maar matig; maar zooveel begreep ze er van, dat de firma wel in ^ galanterieën zou handelen. Please, send a port- j folio.... Het Engelsche meisje heeft haar snippertjes teruggekregen en de eer van de Venus van Milo is en blijft ongerept. Rijwielen in dienst der reclame. Tijdens de rijwielententoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt exposeerde de firma Hnmber een Eiffel-rijwiel, ter hoogte van .'! meter. In de italiaansche revue Natura ed Arte lezen wij thans, dat in het zuiden op deze machine een sandwich man wordt gezet met een zeep- of chocoladereclame, en hetzelfde blad geeft ook het verhaal \ van een rijwiel, waarvan de achterband letters j draagt, die bij iedere omwenteling, gelijk som- | mige naamstempels, tegen een inktkiissen worden gedrukt, en aldus op de troitoirs en wegen het verhaal zetten van goedkoope en duurzame voedings- en reinigingsmiddelen. Een heerlijk ding in verkiezingsdagen ! De president der Fransche Republiek hooggeplaatst geestelijke. Herhaalde malen is er aan herinnerd bij de troonsbestijging, als wij het eens zoo mogen noemen, van een nieuwen president der Fransche j (Punch.) Henri Rochefort te Monte Carlo. Republiek, dat de eerste burger van Frankrijk krachtens zijn ambt zitting en stem heeft in het domkapittel van St. Johannes de Lateran te Rome. Maar minder bekend is waarschijnlijk, dat aan het hoofd van den Franschen staat ook in het domkapittel van Nancy een plaats toekomt. Het recht is geërfd van de hertogen van Lotharingen; Lodewijk XV heeft in 1742 met veel plechtig heid en eerbetoon het op zich doen overbrengen. en sedert werd het hoofd van Frankrijk's regee ring, wie hij ook zijn mocht, bij een bezoek te Nancy als kanunnik begroet en ontvangen. Napoleon III nam die waardigheid zelfs met eenigen ernst op. Hij ontving de eereteekenen van het ambt: een kruis van verguld zilver aan een breed violet lint, en gaf aan de kathedraal een misgewaad van goudgestikt brocaat, dat nu nog door de bisschoppen wordt gedragen, en bovendien de twte kolossale beelden van de heiligen Mansuy en Sigisbert. De lersclie (Judy.) Lord Rosebery en de lersche partij. Dui''schlancl. Jij wilt mijn ruwe suiker niet meer hebben V Donnerwetter ! Dan dank ik ook voor je varkensvleesch en je rundvleeseh. Fianhijk. Saorénom de Dieu ! Jij maakt bezwaar tegen mijn wijnen? Dan pas ik ook voor jou producten. Unde Sam. Wat maal ik om internationaal handelsverkeer en voorspoed 'ïIk heb mijn binnenlandsche markt heelemaal voor mij zelf, zie je ! Het schoonmaken van pleisterbeelden. Pleister- of gipsbeelden, die in meer of minder artistieke uitvoering een goedkoop sieraad van onze woningen zijn, hebben niet ten onrechte den naam van ware stofnesten te zijn. Men mag zich nog gelukkig rekenen als zij gelijkmatig een groezelige kleur aannemen; maar wie heeft zich niet geërgerd, als hij zijn Schiller of zijn Goethe, zijn Beethoven of zijn Wagner, zijn llembrandt of zijn Rubens, zijn Apollo. ja zelfs ?.ijn Venus, een zwarten neus zag krijgen, die hun eene verwij derde gelijkenis gaf met een somberen drinkebroer? Hot volgende praktische middel tegen deze kwaa! wordt door een Fransch blad aan de hand gedaan. Men maakt op de gewone wijze van goede, witte stijfsel eene vrij dikke pap, en be dekt daarmede het geheele pleisterbeeld. De pap moet bij het gebruik warm zijn en een tamelijk dikke laag vormen. Men laat die laag langzaam drogen ; zij korst dan, en de stukjes, die niet van zelf afvallen, kan men gemakkelijk met den nagel verwijderen. Do afvallende stijfsel heeft al het vuil van het pleisterbeeld weggenomen, zonder aan het model daarvan eenigerlei afbreuk te doen. De monocle van den president. Félix Faure, de nieuwe president der Fransche Republiek, is na Xero waarschijnlijk het eerste hoofd van een Staat, dat zich van het -enkele oogglas" bedient. Volgens l'linius droeg de Uomeinsche keizer, die bijziende was, een con caaf geslepen smaragd onder den wenkbrauwboog, om de gevechten der gladiatoren beter te kunnen volgen. Jbii ai'ertant omen! Een reuzenadvertenüe. En dan zeggen de menschen nog wel, dat het adverteeren ook al een mode is die gaat ver dwijnen : twee heele pagina's van de Times, bijna een tuintje bij een modern huis, werden dezer dagen ingenomen door een advertentie, in twintig talen: Italiaansch, 'Grieksch, Ben^ali, Hindi, Ilindostani, Hollandsch, Spaansch, Cinghaleesch. Tamoul, Russisch, Portugeesch, Arabisch, Chineesch, Fransch, Turksch, Engelsch, Persiscli. Japansch en Gujerati; iedere taal in haar eigen drukletters! Tartarin op het Vatikaan. Zekere heer Vignéd'Octon, schrijver en radicaalsocialistisch afgevaardigde in het Fransche Par lement, is zooals hij zegt den Paus gaan interviewen. Dit zou nog niet de minste Utre a la gloire zijn, bij gebrek aan andere, waarbij eigen verdienste een hoofdrol speelr. "Wat de heer Vignéover zijn interview vertelt, is echter tamelijk idioot, en ongetwijfeld voor een groot deel uit 's mans duim gezogen. Volgens goed ingelijhte bladen heeft de would-be interviewer hoogstens op een receptie een paar woorden met Leo XIII gewisseld. Naar aanleiding van deze Tartarinade herinnert het 'Journal des Débatg, hoe de heer Vignéinder tijd een pover romannetje heeft geschreven, onder den titel VEternette blesté?. Toen eenige jaren na de verscbijning van dit, helaas miskende. meesterstuk etne bekende Parijsche Recue een soort van lezers-plebisciet had uitgeschreven over de beste letterkundige producten uit alle tijden. bleek het, dat op een twintigtal lijsten de naam van den heer Vignó d'Octon prijkte onmiddellijk na die van Homerus, Shakespeare, Molière en Cervantes. De twintig anonyme bewonderaars hadden allen dezelfde hand, ongetwijfeld ten gevolge van eene graphologische bewonderingssuggestie?en hun brieven, die tegelijk verzonden waren en allen hetzelfde poststempel droegen. bewezen door die omstandigheden juist de ge concentreerde intensiteit hunner veneratie. Als de heer Vignéd'Octon zóó doorgaat, wordt hij nog vóór Zola lid van de Académie Friw^aisc. Shakespeare in het Oosten. Eene verzameling der vertalingen van Shakespeare's werken zou tegenwoordig eene zeer om vangrijke bibliotheek vormen. Ken Ohineesche vertaling moet reeds voor eenigen tijd zijn ver schenen ; thans wil een ondernemend Russisch uitgever eene Armenische vertaling het licht l doen zien. i liet zou der moeite waard zijn, te vernemen. j wat de geletterden van het Oosten en het Verre i Oosten over Hamlet denken ! Julins Prnttelman Brommeüer, Ik begin me weer wat thuis te gevoelen in do Bocht en was na mijn terugkomst uitden Haag langza merhand een beetje verzoend me; de her rie en den on behoor lijken rommel, die Amsterdam iemand te hooren en te zien geeft, zoodra hij uit een der fijne wijken in de winkelstraten komt, wat je in het eerst vreemd doet opkijken als je in zoon nette stad als den Haag een poosje in de beste kringen verkeerd hebt; ik was er om zoo te zeggen over heen dat de ra dicale Hugo Muller hier in mijn buurt een huis had gehuurd, en dat te gemakkelij ker, omdat Koos y. Leeuwen., zelf een ini'atsoenlijke vent, die ook naar déBocht is getrokken, mij verzekerde, dat hij dien Muller van zijn zijn jeugd af'gekend heeft en hem aliijil als een geboren gentleman zich op zijn kan toor had zien bewegen en daar hoor ik dat er van een geheel andere zijde een aan slag op de Bocht, is gedaan. Nu. 7,00 hebben ze mij verteld, heeft de Koomsche geestelijk

De Groene Amsterdammer Historisch Archief 1877–1940

Ga naar groene.nl