De Groene Amsterdammer

Historisch Archief 1877-1940

Alle jaargangen 1895 16 juni pagina 6

16 juni 1895 – pagina 6

Dit is een ingescande tekst.

DE AMSTERDAMMER, WEEKBLAD VOOR NEDERLAND. No.938 Een veel meer populair jubileum is dat van Iwan Wasow, dat wordt voorbereid om zijn zilver dichterfeest te vieren. In 1851 geboren, gaf Wasow reeds op negentienjarigen leeftijd zijn eerste werk uit. Langzamerhand werd hij de meest gevierde dichter in Bulgarije, hy is de eenige van zijn landgenooten, wiens gedichten ook in vreemde talen werden verspreid: Pot Jgoto, Onder het juk b\j voorbeeld verscheen in het Duitscb. Aan het feest van Wasow willen de Bulgaren dat van Petko Mawejkow vastknoopen, een van de aanzienlijkste en rumoerigste staatslieden van vroeger t\jd, die meermalen minister is geweest, maar sedert jaren door een ongeneeslijke ziekte tot absolute werkeloosheid is veroordeeld. Het is vyftig jaar geleden dat hij de eerste verzen in het nieuw-bulgaarsch publiceerde. Spaansche Lectuur. Mevrouw Pardo Bazan, een van de beste spaansche romancières schryft in de Rfime d*s Rtvues: Het stuiversdagblad beeft in Spanje aan het boek de ? nekslag gegeven. Tien jaar geleden las men tenminste nog sommige romans. Thans z\jn onze lezers geslonken tot een handjevol burgers die zich boven de rest rekenen. Onze werken komen uit in stilte; zelfs de eer van een kritiek moeten zij bjj hu1 begrafenis missen; de bladen weigeren de artikelen over romans, want niemand stelt er belang in. Wij werken voor den uitvoer naar Zuid-Amerika, en volstrekt niet iedereen, die gaarne daar een publiek zou vinden, t laag t erin. Byna zouden wij naar Spanje verlangen. Wat een idyllische toestand moet het daar zy'n! BOEKBEOORDEELING. Gestorven Lente van OSSIP SCHUBIN ; uit het Duitseh door Pu. WIJSMAN; uitgave Loman & Funke, 's-Gravenhage. Dit boek is een zonderling mengsel van romantisme en realiteit. Over het geheel schijnen de karakters naar het leven geteekend, sommige toestanden daarentegen pure fantasie te zijn; vooral het slot is bijzonder melodramatisch voorgesteld. Zeer eigenaardig is het, in een tijd, waarin zooveel door en voor vrouwen wordt ge streden, in dit boek te vinden, dat over het algemeen een vrouw, die zich een levenstaak voorstelt, belachelijk wordt gemaakt, terwijl een mooi »büna" braaf, maar nutteloos Italiaansch schildersmodel op ziekelijke wijze tot heldin wordt verheven. Als men weet, dat de auteur zelf een vrouw is (Luise Kirschner) wordt de bevreemding grooter, dan de achting. iiiiiiiiiiiiiiiiiittiiiiiiiiiiiiiiiiiimiiiiiiiiiiiiiii tafel, en scheen het spel te besturen. Achter de spelers stonden dames, allen jong en mooi, allen in feesttoilet, allen druk sprekend en lachend, of wenken gevend, als men haar raad bij het spel scheen te vragen. Aan alle zijden had men sofaas, fauteuils en divans geplaatst, waarop andere jonge dames met tal van be zoekers keuvelden, schertsten en fluisterden. In een der wanden dezer zaal was een buf fet aangebracht, waarvan de deur omhoog kon geschoven worden. Er bevond zich daar een geheel heirleger van glazen, kelken en flesschen sorbets, champagne, brandewijn van Orleans, crème de macaroni en rosolis de Boulogne. Aan de speel taf el werd zeer luid fesproken, de jonge dame in het rose gala leed, M1Ie de Saint-Amaranthe, deed hare heldere sopraanstem boven allen uitklinken. Zij scheen een soort van bank te houden, en moedigde de spelers telkens aan voort te gaan. Voor haar op de groene tafel lagen stapels assignaten en kleine hoopen goud en zilvergeld, al de spelers tastten telkens naar portefeuilles, die bol stonden van assig naten. Augustin herkende enkelen, daar hij hen gezien had in de vergadering der Jakobynen: twee bankiers, een Hollander: Henri de Koek, een Oostenrijker: Junius Frey. Tevens zag hij twee leien der Conventie: Herault de Séchelles en Chabofc. Terwijl hij dus enkele oogeublikken in het ronde keek, ontwaarde hij een der gasten, die zich onderscheidde door verbazend lang zwart hair, en een groot handlorgnet, waar mee hij alles en allen beleefd buigend opnam. Augustin had een paar schreden in de rich ting der speeltafel afgelegd, toen hij bemerkte dat het kijkglas van dien gast hem onaf gebroken volgde. Hij wierp een onderzoe kenden blik op dezen man, en kreeg den indruk, dat hij dit sluwe gelaat en die toe geknepen oogen meer had gezien. Toch herkende hij hem niet. Terwijl hij den blik afwendde, was de zonderlinge man verdwenen. Op dit oogenblik kwam uit het derde salon de man, welken hij zocht, Trial. Hij wenkte hem naar een hoek, en zei fluisterend: Citoyen Trial! Je hebt me gezegd, dat de citoyenne Saint-Amaranthe met hart en ziel ijverde voor de Revolutie, en nu blijkt juist het tegendeel. Ik vind het niet nobel mij dus om den tuin te leiden!" Trial glimlachte zeer vroolijk. -»Mon cher amil Ik heb je volkomen oprecht de waarheid gezegd. Madame de Tentoonstelling van Hotel- en Reist ezen, HISTORISCHE AANTEEKENINGEN, door F. VAN DEE GOES. VII. Drie Zeventiende iLeuwsche Engelsclien in Holland. ("Vervolg van de Reizen van Sir John Reresby.) Amsterdam is gelegen veel als Venetië, dicht bij de zee, de straten gescheiden door verscheiden grachten welke er door loopen, overbrugd met hout op verschillende plaatsen; het gewone ver voer geschiedt met schuiten in die grachten, op andere plaatsen met kruiwagens of kleine karren getrokken door een grooten hond, uit vrees dat grootere wagens de fundeeringen zouden doen schudden, die alle kunstmatig zijn, op palen tot een groote lengte in den grond geslagen. Het raadhuis, dat bijna af was toen ik er was, en gebouwd voor publieke kosten, is zekeriijk, wegens den gehouwen steen buitenop en het marmer van binnen, het schoonste stuk van die soort in Europa. De beurs lijkt op die van Londen in de city, wat het model aangaat. Onder andere fraaie kerken is de nieuwe de beste. In het ko'>r is veel gesneden koperwerk, h"t orgel goed en schoon, zooals men, schoon den naam hebbende van erg nauwgezet, in alle protestante kerken toelaat maar niet om te spelen eer de dienst over is, en somtijds des avonds met oTitstoken kaarsen, als de mensehen in de kerk komen om te luisteren. De schouwburg is een flink gebouw, gebouwd op stadskosten, waar de spelers twee keer per week optreden; stadsambtenaren ontvangen het geld, geven er een deel van aan de acteurs en de rest is voor de armen. Het nieuwe klokkenspel, twee jaar geleden uitgevonden door een Hoog Duitscher en ergens bij de beurs [Oude kerk], is zeer buitengemeen, zijnde zoo ingericht, dat ze niet alleen verschei dene wijzen duidelijk spelen uit zicii zelf, maar er kan op gespeeld worden met toetsen als bij orgels. Na hier vier dagen verbleven te zijn, keerde ik terug naar den Haag, vervolgens naar Delft en zoo ging ik naar Leiden. Dit is de voormaamste hoogeschool in Holland ; een mooie stad ; de ge hoor- of collegezalen ruim en goed ingericht, zoo ook de anatomische kamer, waar men allerlei gedroogde preparaten van ontlede dieren ziet, onder andere van een heelen walvisch. mummies en andere natuurkundige merkwaardigheden. Van Leiden ging ik per schuit naar Utrecht, met riemen geroeid, en w.as zestien uur onderweg, den geheelen nacht met sterken tegenwind. Dit is de hoofdstad van de gelijkgenoemde provincie, de hoogste en best gelegen stad wat de lucht uimimiiiiiimiiii Saint-Amaranthe zegent de Revolutie, want ze zegent de vrijheid, die ze verkreeg haar salon zóó in te richten, als zij het liefst wenscht. Ze houdt van spelen en staat op den besten voet met de politie. Ik heb zoo even nog een olisermteur de l'esprit public met een groot lorgnet gezien. Bevalt het je hier niet, dan ga je heel stil a l'antjlnixe heen. De mooie onbekende is in het derde salon!" Augustin zweeg verbluft. Zooveel spottende vermetelheid maakte hem machteloos. Trial vertoonde zich even in het eerste salon, waar mevrouw de Saint-Amaranthe nog bezig was enkele bezoekers te ontvan gen. Zij wenkte hem met een blik, en zoodra ze vrij was, greep ze zijn arm en sprak bijna onhoorbaar: »Mijn God! Agéuor! hoe onvoorzichtig dien rooden Jakobijn hier bij mij te brengen! Je zult me in groote moeilijkheden wikke len .... Ik begrijp je niet!" -- »Wees gerust, Isabelle! De jonge Ro bespierre heeft je van avond gezien in de Opera en is getroffen door het mooie gezichtje van een jong meisje, dat naast Constance zat. Hij is heelemaal ingepakt! Hij wil die mooie onbekende leeren kennen!" »Henriëtte! Zonderling! Henriëtte is van avond hier voor het eerst! /ij is niet op haar gemak, j/aurre pet/te /" »Wie is Henriëtte *" »Henriè'tte is eene vico)>itcxne de Lauriac, uit eene zeer oude Bretonsche familie. Zij is wees, en woont zeer stil bij rf-liijieusex te Passy. De bezittingen der familie zijn ver beurd verklaard vader en moeder beiden vermoord in de gevangenis La Force den 3en September 1792. Ik heb de familie zeer goed gekend, en daarom op een brief van Henriëtte, die mijne hulp noodig had, ge antwoord door eene visite te Passy, door haar aan te raden wat verstrooiing te zoeken, daar groote melancholie haar ziek maakt. Zij heeft mijne invitatie aangenomen, maar zich niet gekleed. Ze zit heel stil in een hoek, en houdt zich schuw op een afstand. 't Is jammer, ze zou een sieraad van mijn salon kunnen worden.... maar het lieve kind stelt geen belang meer in het leven!" »Nu, de Jakobijn is fprix . .. maak er staat op. Je kunt nu een goed werk doen, Isabelle ! Breng de jongelui tot elkaar. Dat zal het middel zijn, om de kleine ricomlense wat handzamer te maken en je doet aangaat in geheel Nederland, een hoogeschool, maar niet erg bezocht. Ik bleef hier vier dagen en nam toen afscheid van het statengebied, met plan naar Antwerpen te reizen. Van uit Antwerpen deed Reresby nog een uit stapje naar Middelburg en Vlissingen, steden waarvan hij de grootte, den rykdom en het ver tier met enkele woorden vermeldt. * * * De derde en laatste van het drietal is de blijspeldichter George Farquhar. Van hem heb ik maar een paar brieven gevonden, juist niet overbelangrijk, maar die hier wel voor het eerst worden meegedeeld, en overigens aardig genoeg als een vluchiige indruk van het aspekt van het land op den wereldschen en vernuftigen Londenaar. De eerste brief is gedateerd: The Brilt, August the lOth. 1700, de gewone plaats van aankomst uit Engeland. Heden om elf uur landden wij in den Briel, en hier heb ik een voorsmaak van dit gemeenebest, dat zooveel gerucht maakt in de wereld. Mijne verbeelding is, wat verwachtingen aangaat, in den regel zoo vruchtbaar geweest, dat het liefste deel van mijn hoop menigmaal met teleur stelling eindigde; en ik heb zelden de dingen in overeenstemming bevonden met de gedachte, welke ik van hunne voortreffelijkheid had op gevat ; maar hier moet ik bekennen, dat de werkelijkheid boven den weerschijn uitmunt, en ik ben verheugd eenmaal in mijn leven iets te vinden dat mij bij het genieten van het dingzelf een waarachtig genoegen schenkt. Ik h> b veel van deze plaats ge'ezen, nog meer er mij van voorgesteld, maar alles blijft achter bij watik zie. Bij mijn eerste aankomst in deze stad, deed ik een ontdekking die ik meen dat tot heden aan de meeste reizigers ontsnapt is, namelijk, dat de Hollanders de grootste Beaux van de wereld zijn [benaming sedert het herstel van de monarchie, waarmede Fransche modes in Engeland inheemsch werden, gegeven aan de leden van mondaine gezelschappen in Londen, de deftige zeebadplaatsen, enz.], slechts met dit verschil van de heeren van White [Londensch koffiehuis] dat hunne fraaiigheid veel voornamer ensolieder is. Nimmer zag ik de schoonste, fijnste paruik alierkeurigst gepast op het mooiste hoofd in een operalogo, er half zoo heerlijk uitzien als een Hollandsche vaart met een statige rei van weel derige hoornen aan weerskanten, en een stuk of twintig sierlijke bruggen er over heen geleid, op niet meer dan een zestig, zeventig pas afstand van elkaar. Ik heb nooit een kamerdienaar en een barbier met scheermessen, brandijzers, reukstoffen en waschwateren half zoo ingespannen zien arbeiden aan het gelaat van een edelman, die op een bruiloftsfeest eene overwinning beraamde, als ik een lustige Hollandsche vrouw met een «iiiniiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiniiiHHiniii daarenboven een grooten dienst aan Augustin, die niet nalaten zal je zijne dankbaarheid te betoonen. Ik zal een oog op hem houden! Je kunt volkomen gerust zijn ik zou hem anders niet hebben meegebracht. Ik denk altijd in de eerste plaats aan je belangen, Isabelle!" Mevrouw de Saint-Amaranthe keek Trial veelbeteekenend aan; zij wisselden zwijgend een langen handdruk. Intusschen naderde Augustin de speeltafel, en keek uit verveling, zeer misnoegd over zijne onvoorzichtigheid, naar den gang van het /rente-et-uu. Hij kende er den loop van, en bemerkte, dat Mlle de Saint-Amaranthe met heel veel behendigheid voor bankier fungeerde, en heel wat assignaten van hon derd en vijfhonderd francs (lieren) inpalmde. De jonkman met den zeemleerkleurigen zijden rok kwam plotseling op de groep der spelers toeloopen. Mlle de Saint-Amaranthe wenkte hem, en riep zeer luid: sMeneer Rénaudin, er is nog plaats. Daar naast meneer de Herault de Séchelles ! U is ons nog rcvancJic. schuldig!" Brutus Rénaudin boog zich hoffelijk, greep de blanke hand der jonge vrouw, en kuste die met groote ingenomenheid. :>Ik kwam juist met dit doel hier, madenioixellcl Ik geef u revanche heel mijn leven lang, als mij het groote voorrecht maar te beurt valt een enkelen blik uit uwe betooveronde oogen te mogen opvangen!" Mlle de Saint-Amarante glimlachte zeer welwillend en zeer veelbelovend. Zij wees hem eene plaats aan. De spelers knikten hem toe als oude kennissen, en weldra was Brutus Rénaudin in de kansen van het trcute-ct-un verdiept. Op dit oogenblik ver scheen de man met de lange zwarte hairen en het handlorgnet achter Augustin, zoodat deze hem niet zien kon, en nam den nieuwen speler opmerkzaam waar. De jonge dames, die rondom de spelende gasten op en neer wipten, zorgden er voor, dat deze ruimschoots voorzien werden van schuimende bekers champagne. Soms bogen ze vertrouwelijk over hunne schouders, en fluisterden zeer zacht met hen. Augustin bemerkte, dat men geene republikeinsche kaarten gebruikte. Men sprak van rota, dame» en valets, in plaats van yenies, libertés en agalités. In plaats van het Jacobijnsche loi de trèfle, hoorde men het royalistische as de trèfle noemen niemand scheen zich te herinneren boender en een emmer heetwater de drempels en de steenen zag schrobben, tot zy ze blinkender had geschuurd dan de flsionomie van eenigen fat in het heelal. Geen eerste klasse beau ten onzent, getrokken door zes paarden en zes lakeien ach terop, heerlijk liggende in zijn koets, schijnt half zoo kostelyk, als een vroolijke schipper op de plecht van zijn schuit, met een bonten muts als een stralenkrans op zy'n hoofd, de roerpen in zijn hand, en zyn pijp in zijn mond, vrijheid ter linker, welvaart ter rechterzijde zetelende in zijn baard, en zoo prachtig uitgedoscht, den tocht makende van een half dozijn schoone steden op een dag, zonder een idee van spleen of een spoor van jicht. Zoo iemand beschouw ik als een beau van de eerste grootte, die het versmaadde door beesten te worden getrokken als naar de galg in Tyburn [Londensche aloude executie-plaats], die den wind en de wateren voor zijn kar spant, de werken der Voorzienigheid verbetert, de algemeene elementen (lucht en water) onderwerpt aan zijne vinding tot vermaak en voordeel, de wind in zijn zeilen ziet arbeiden en met zijne wimpels spelen, al hetgeen hen grooter en zui verder genot moet verschaffen dan het hinneken van een paard of het kraken van een zweep. In het kort, waarde Vriend, ik ben niet zoo verslaafd aan inheemsche zeden, om niet te prij zen wat hier te bewonderen valt; en gij zult mij ten goede houden dat ik het vooroordeel van mijne geboorte van mij geworpen heb tegelijk met het ossevleesch en den pudding toen ik hier heen kwam. Geen klein deel van mijne verbazing bestaat hierin, weshalve wij de Hollanders een druilerig en slofferig volk kunnen noemen, want voor het oog, dat immers hierin te bepalen heeft, zijn zij veel schitterender dan de n?tie welke wij zoo zeer bewonderen en navolgen; en met dit voordeel dat zij opgeruimd zonder licht zinnigheid, en keurig zonder affektatie zijn. Waarom wij de Hollanders met minachting, en de Franschen met lof vermelden, is een ernstige grief tegen het Engelsche oordeel. Meer nieuws heb ik op dit oogenblik niet te berichten, dan dat ik juist naar Rotterdam vertrek, en een Schotsch logement hier verlaten heb, waar niets van dien landaard te vinden is als de waard, want de kamers zijn een paradijs van zindelijkheid, maar de waard is een schelm in het rekenen. Ik heb znlk een hoop zilver voor een pistol in ruil gekregen, als waarmee een bankier zijn krediet zou kunnen ophouden, en ik verzeker u, dat zoolang ik van dat muntstuk nog een zijner broederen over heb, gij niet zult aan schouwen, Uw triend en dienaar. Verbetering. In art. VI, Weekbl. v. '20 Mei, bl. 6, eerste kolom, staat: Bonil [Buren]; moet zijn: [Bommel]. I1I1I1H1IIIIIIIIIIIIII1IHIIIIIIIIIUIIIIIIIIMI1IIII dat er te Parijs, rue Nicaise, nummer 11, eene fabriek van speelkaarten der citoyens Jaume en Ducourc bestond, die echte patriot tische kaarten leverde, die voor de azen lois, voor de heeren gcnies met roode mutsen, voor de vrouwen libertés, voor de boeren eyalités in de plaats stelde kaarten alleen gangbaar in Jacobijnsche kringen. Augustin voelde een licht tikje op zijn arm. Hij wendde zich om, en zag mevrouw de Saint-Amaranthe met een allerinnemendste!! glimlach zich tot hem richten. De gastvrouw gevoelde niet veel sympathie voor Jacobijnen, maar deze knappe jonkman met zijn open gelaat, en groote oprechte donkerblauwe oogen mishaagde haar niet. «Meneer de Robespierre!" vroeg ze. »gevoelt u geen lust een partijtje te maken ?" »Ik vraag u exkuus, mevrouw. Ik speel hoogst zelden mijne avonden zijn zeer bezet!" Met een wenk had madame de SaintAmaranthe eene zeer knappe jonge Héb gewaarschuwd, en terwijl deze hem eene ge vulde kelk met champagne aanbood, zei de eerste: »Vergun mij ten minste u een glas wijn te mogen schenken, dat u zeker niet zal weigeren, nu het u door eene zoo bevallige hand wordt gebracht." Augustin kon niet weigeren. Hij boog zeer beleefd, nam het glas aan, en verklaarde het ter eere der gastvrouw te zullen ledigen. Deze ging voort tot hem het woord te richten, en wandelde met hem naar het derde salon. »Daar u niet speelt, meneer de Robespierre! geloof ik toch te mogen vermoeden, dat u van muziek houdt. We zagen van avond elkaar in de Opera, niet waar? Onze muzi kale vrienden vereenigen zich meestal in dit salon, om solozang of voordrachten op het klavier en de harp te hooren. Mag ik u voorgaan ?" Augustin vernam te midden der luide uit roepingen der spelers, eenige zwakke harpakkoorden uit het aangrenzend salon. Hij volgde zijne gastvrouw als in een droom. Het scheen hem, of hij onder de macht eener geheimzinnige betoovering gekomen was. (Wordt vervolgd).

De Groene Amsterdammer Historisch Archief 1877–1940

Ga naar groene.nl