De Groene Amsterdammer

Historisch Archief 1877-1940

Alle jaargangen 1925 25 april pagina 21

25 april 1925 – pagina 21

Dit is een ingescande tekst.

?wr UL UIMJEMP Hlflg'l TELEFOON-GESPREKKEN 5?0?2?7?7. Ben je daar Monne? O, Monne, wat ben je begonnen ! Stom? Erger ! Het is ergerlijk ! Dat zei Luther ook. Maar volgens de jongste onderzoekingen, is hij in de war geraakt en had eigenlijk willen zeggen: ik sta hier, ik kan ook anders! Maar waarom ben je dan die heibel begonnen als je nu toch wegloopt? Op de Nieuwmarkt halen ze ook eerst de boeren, burgers en buitenlui naar zich toe door allerhande spektakel maar vind je dat een wet houder van Amsterdam waardig? Nou, op het gezelschap viel toch niet veel aan te merken. Weet je wat ze nu zeggen? Dat het er jullie om te doen was Wierdels kwijt te raken. Dat hij lastig werd. Dat hij rooder op de graat was dan jullie, net als alle bekeer lingen en ze op 't stadhuis al begonnen te kletsen dat jullie leelijk aan het verschieten waren. Maar daar snap ik niets van. Als je nu direct, toen je in de gaten had dat de Raad je als melkwethouder in het melkonderzoek niet lustte, gezegd had: Edele Raad, uw wil geschiede en zie maar dat je het nu zonder mij klaar speelt," weet je wat Douwes, die in den Raad de goedhar tige oom is en altijd op den gevoeligen kant van de dingen spreekt, gezegd zou hebben? ??Hij zou je per motie uitgenoodigd hebben om naast Vosje, met wie ze nu toch ook zoo hard niet wegloopen, de onderhandelingen en onderzoekin gen te leiden. En wat dan? Nog al glad. Dan had je je een paar keer moeten laten soebatten en je had eerst de fractie moeten raadplegen en daarna de Fede ratie en dan het Congres en eindelijk had je goed gunstig op het verzoek beschikt en binnen drie weken had je Vosje onder de tafel gehad en langs drie achterdeurtjes en de groote voordeur had je ze je eigen melk-voordracht weer laten slikken. En wat heb je nu bereikt? Nee, ik had je handiger gedacht. En dan machtiger ook. En als je weer eens in de knoei mocht zitten Schel me maar gerust op. Ik werk met het ei, de kip en Ook niet hartelijk om af te bre ken. Zoo zijn ze nu C EL 2 HENRI DEKKING EN HET DIACONIEHUISMANNETJE Eenige jaren geleden, toen de Camera Obscura" voor de vijf en twintigste maal gedrukt zou worden, heeft men aan een reeks bekende Neder landers gevraagd hoe zij over het boek van Hildebrand dachten. Voor de uitgevers is het een geluk geweest dat de ondergeteekende niet tot de bekende Nederlanders behoorde; want hadden zij mij een meening gevraagd, dan zou het ant woord wellicht een paar kolommen druks gewor den zijn. Als het over de Camera" gaat, kom ik op mijn praatstoel! Misschien zou er in dat ant woord wel iets gestaan hebben, wat ik in de andere niet heb kunnen vinden. Dit: dat Hildebrand's boek de waarde heeft van een verzameling oude dierbare familieportretten. Als ik mij stil in mijn werkkamer terugtrek en me weer, voor den zooveelsten keer, in Stastok ga verdiepen, dan ver geet ik de wereld om mij heen en heb de gewaar wording dat ik door een toovermacht ineens in het huis van mijn overgrootvader teruggebracht ben. Natuurlijk: die heeft immers ook in het kleine stadje D. gewoond, die zat er ook warmpjes in, die hield er, als er avondvisite was, ook niet van dat het nachtwerk werd wel wis en drie, Hildebrand moet mijn overgrootvader tot model genomen hebben, ik weet het zeker, al beweren duizend andere Nederlanders met niets minder zekerheid precies hetzelfde. Zoo sterk heeft Hil debrand het type van den deftigen-burgerlijken Nederlander van drie kwart eeuw geleden vast gelegd, dat wij allen beurt voor beurt er een oud familielid in kunnen zien. En daarom is dat boek ons zoo dierbaar! En hoe dikwijls is dan ook niet de gedachte opgekomen: wat zou ik er niet voor geven, om, al was het maar voor een oogenblik, eens temidden van die oudjes te kunnen zijn, wat zou ik graag eens bij Kegge over den vloer komen (niet alleen omdat hij er zoo een zalige likeurkast op na hield), in de gezellige achterkamer van de Groot koekvergulden, met Rudolf van Brammen een partijtje biljarten in de Noordstar, desnoods met Nurks wandelen in de Haar lemmerhout, al weet ik vooruit dat hij een massa aanmerkingen op mijn toi let zou maken En nu is het gebeurd; nu is dat verlangen ge stild. Ik heb in het prieeltje in den tuin van Oom Sta stok naast Hildebrand ge zeten, ben er getuige van geweest dat Keesje, die geld onder zijn hemmetje had, zijn droeve geschiedenis verteld heeft. Gij kunt me gelooven dat het waar gebeurd is; en het heeft niets met spiritisme te maken. De Vrijzinnig-Christelijke-Jongeren-Bond gaf dezer dagen een uitvoering in den Tivoli-Schouwburg te Rotterdam; er werd ge zongen, een beetje viool en piano gespeeld, er werd gedanst en voorgedragen door Henri Dekking. Het Diaconiehuismannetje" stond er op het program ma. Dekking kwam op en toen, fwiet... .gebeurde het wonder; daar was in eens geen Tivoli-schouwburg meer en geen Henri Dekking, daar was de tuin van Stastok met het pri eeltje, daar zat Hildebrand en een oogenblik later kwam Keesje voorbij; en toen Hildebrand vroeg wat er aan schortte, begon Keesje zijn aangrijpend verhaal te vertellen, het verhaal van dien schurkachtigen Klaasje met zijn bult, die alsmaar in De Vette Vaatdoek" graantjes pikt en die in zijn dron kenschap zoo hard is gaan schreeuwen dat Kees geld heit, dat ie onder zijn hemmetje geld heit, dat de vader van het huis gekomen is en Keesje het geld voor een doodshemd afgenomen heeft. Tien minuten later was het wonder gebeurd, zat ik weer in den Tivoli-schouwburg, maar nog ont daan door het verhaal van het brave mannetje. Er is heelemaal geen wonder gebeurd", zei mijn buurman, wien ik het vertelde, je hebt een voudig naar Dekking zitten luisteren" Is het dan toch waar? Heb ik Keesje niet gezien, ben ik niet in den tuin van Stastok met Hilde brand geweest? Maar ik zou er toch op gezworen hebben van wel! Hoe Dekking het doet, weet ik niet; alleen weet ik dat hij bijna niets doet, dat hij volkomen sober is en toch de sterkste indrukken wekt. Die voor dracht van Dekking is werk van een groot, fijn gevoelig artist geweest. Hem daarvoor mijn op rechte hulde! WILLEM LANDR PORT! UITjjHET KLADSCHRIFT VAN JANTJE Wijsheid, die over mijn Nederland waakt; Wijsheid, die willigen lof mocht erlangen; Wijsheid, die, steeds welgemoed en bespraakt, over het lot van mijn landeke waakt; Wijsheid, aanvaard ook den lof mijner zangen: 't land, dat U immer genegener wordt, heft, U ter eere, erkent'lijk z'n Port! 'k Meen niet den Port, dien een Zuid'lijker gloed rijpend in zwellende druiven doet stoven; 'k meen niet den Port, die het brandende bloed jagend doet varen door 't Hollandsen gemoed, Port, die o Wijsheid ! Uw vlam slechts kan dooven; neen, wij doen'niets aan Uw eere tekort, als wij U loven'door 't heffen van Port! PADOX HOUTBOUW Houten Scholen, Winkels, Directiekeeten Levering in korten tijd. Fabrieken Warmond 't Is niet de Port, die zoo rustig en effen kleurt in den kelk, en aromen doet droomen; 't is niet zoodanige Port, dien we heffen om er de wereld te laten beseffen dat wij, o Wijsheid, steeds nader U komen: Wijsheid, in weerwil van Sport en van Ford, eeren wij U door het heffen van Port! 't Is niet de Port, die er vloeibaar als goud klokkende vaart uit de donkere monden; 't is niet de Port, die 't bouquet" nog behoudt spinrag-omweven, bestoven, en oud, die U, o Wijsheid, zoo vaak heeft geschonden: wijl het aan Wijsheid geen Hollander schort, heffen wij, heerlijke Wijsheid, toch Port! Zie, dat is Holland, van haver tot gort: overal kan men z'n kaarten en brieven, zonder dat iemand er knort of maar mort, posten voor 't lage, voor-oorlogsche port; Holland alleen wil de wijsheid gerieven: men zorgt hier, hoewel men geen overleg pleegt, dat Holland, zelfs schrift'lijk, z'n woorden nog weegt! K u M c R A N o s A L i s BESTEVARINAS .hdlf ons pakjt

De Groene Amsterdammer Historisch Archief 1877–1940

Ga naar groene.nl